‘Groeien is op zich heel mooi, maar je moet ook kijken waar je plezier uit haalt en hoe je je tijd verdeelt. Een groot bedrijf is mooi, maar ook hard aanpoten’, vindt Westra. ‘Het is vooral belangrijk om steeds op zoek te gaan naar mogelijke verbeterpunten. We proberen elk jaar op alle vlakken, zoals de jongveeopfok, het rantsoen en de leeftijd van de veestapel, iets te winnen.’ Dat is terug te zien in het fokkerij- en voermanagement. Sinds vier jaar mengen de melkveehouders vanaf april vers gras in het rantsoen van de koeien. ‘We voerden het verse gras eerst los, maar toen zakte de melkproductie als een pudding in elkaar. Er was te veel selectie. Nu we mengen, gaat het heel goed’, zegt Westra.
Het gras dat ze niet vers voeren, kuilen ze zelf iedere vier weken in. De eerste drie sneden gras worden boven elkaar ingekuild, om jaarrond een constant rantsoen te hebben. ‘Dat is echt de sleutel om stabiel te melken’, vindt de melkveehouder. Om broei te voorkomen leggen ze banden op de kuilen en voegen ze sinds kort wortelstoomschillen met bietensap toe. ‘Dat voegt qua voedingswaarde niks toe, het is eigenlijk een watervervanger.
Het is wat zuurder en zorgt minder snel voor broei. En het is ook nog eens smakelijk spul.’ Het bijproduct heeft een donkerpaarse kleur, maar kan volgens Westra
niet in de melk komen. ‘Dat heb ik voor de zekerheid wel nagevraagd’, zegt hij. Ook grondstoffen als sojahullenmeel, geplette gerst, sodagrain en een beetje sojaschroot worden een dag van tevoren geweekt om de voedingsstoffen beter beschikbaar te maken. Op de dag zelf mengen ze het met gras,
mais en bijproducten als perspulp en tarwegistconcentraat. ‘Doordat we veel bijproducten gebruiken, zitten we redelijk scherp op CO2. In 2025 kwam de uitstoot uit op 786 gram per kilogram melk uit.’ De interesse van Westra in voeding komt niet uit de lucht vallen. Hij werkte zeventien jaar bij Bonda, waarvan twaalf jaar als verkoopleider en kwam zo op veel bedrijven. Die ervaring gebruikt hij nu op het eigen bedrijf. Dat vertaalt zich onder meer in een jaarrond laag ureumgetal van 14,3, waar 19,3 als referentie bij FrieslandCampina geldt. ‘We zochten naar de optimale eiwitbenutting. Waar kun je aan trekken zonder dat het productie of gezondheid kost? We zochten extremen op, zonder over de grens te gaan. Ik denk dat we nu op het optimum zitten.’ Westra merkt dat met constant voeren het ureumgetal gemiddeld over het jaar best vlak blijft.