Een gezonde, hoogproductieve veestapel met witte koppen

Bert-Jan en Ilse Klei-Haerst bij kruislingkoe Evelien 85 (v. Imposium), 98.000 kg melk geproduceerd eigendom van melkveebedrijf Klei-Haerst, Zwolle
Bert-Jan en Ilse Klei-Haerst bij kruislingkoe Evelien 85 (v. Imposium), 98.000 kg melk geproduceerd eigendom van melkveebedrijf Klei-Haerst, Zwolle

Als Bert-Jan Klei ergens een hekel aan heeft, dan is het aan zieke koeien. ‘Een gezonde veestapel is voor mij minstens zo belangrijk als een hoge productie’, vertelt de melkveehouder uit Zwolle. Daar beheert hij samen met zijn vrouw Ilse een melkveebedrijf met 132 koeien en 70 stuks jongvee op ongeveer 75 hectare land. Productie mag voor de veehouder geen eerste prioriteit zijn, de koeien tekenen wel voor een rollend jaargemiddelde van 11.500 kg melk met 4,34% vet en 3,59% eiwit. Het celgetal is gemiddeld ruim onder de 100 en om de koeien drachtig te krijgen zijn gemiddeld 1,85 inseminaties nodig. ‘De tussenkalftijd is nu 413 dagen, maar dat is een bewuste keuze, omdat we bij veel koeien wat later in lactatie starten met insemineren’, legt de veehouder uit.

Melkveehouder Bert-Jan Klei uit Zwolle: ‘Een gezonde veestapel is voor mij minstens zo belangrijk als een hoge productie’

Al 25 jaar fleckvieh

Een groot deel van de veestapel van de familie Klei heeft een witte kop, het resultaat van de jarenlange inzet van fleckviehstieren. ‘Mijn vader Evert is 25 jaar geleden al begonnen met kruisen’, vertelt Bert-Jan. ‘Hij was op zoek naar stieren die bespiering konden brengen op zijn holsteinkoeien. De import van vaarzen uit Duitsland en de inzet van stieren uit Amerika hadden hem een hoogproductieve veestapel opgeleverd. Maar de koeien waren ook wat schraal en kwetsbaar geworden’, herinnert hij zich.

Surfend over het wereldwijde web kwam vader Klei kwam uit bij het fleckviehras uit Oostenrijk. Dat was op dat moment in Nederland nog nauwelijks bekend. Maar de veehouder durfde het experiment wel aan.

Fleckviehstieren zijn sindsdien nooit weggeweest van het inseminatielijstje, ook niet toen Bert-Jan de verantwoordelijkheid voor de fokkerij van zijn vader overnam. ‘Wij zijn erg te spreken over de koeien met fleckviehbloed’, vertelt de veehouder. ‘Het zijn fijne koeien om mee te werken. Ze zijn niet te groot, hebben een spiertje extra en een stabiel, rustig karakter.’

De familie Klei fokte tot nu toe twee tientonners. Toeval of niet: beide koeien hadden een flink aandeel fleckviehbloed.

Hoogproductieve kruislingen

Om meer uniformiteit in de veestapel te fokken maakt Bert-Jan gebruik van het aAa-paringssysteem. Daarbij wisselt hij, afhankelijk van het voorkomen van de koe, de inzet van holstein- en fleckviehstieren af. Ook overweegt hij om brownswiss-stieren te gaan gebruiken om nog wat extra heterosis in te brengen.

‘Bij de selectie van fleckviehstieren kijk ik als eerste naar de uiervererving. Op dit kenmerk is binnen het ras de laatste jaren veel vooruitgang geboekt, maar dit blijft een aandachtspunt’, weet de veehouder uit ervaring. ‘Ook selecteer ik fleckviehstieren met goede fokwaarden voor beenwerk. En bij gebruik op holsteins vermijd ik stieren die

ongunstig scoren voor geboortegemak’, voegt hij nog toe. ‘Zolang je stieren blijft gebruiken met hoge fokwaarden voor melkplas en gehaltes, hoeven de fleckviehkruislingen in productie beslist niet onder te doen voor zuivere holsteins’, stelt hij.

Weer vaker een fleckviehstier

De veehouder melkt op dit moment naar volle tevredenheid vaarzen van de Oostenrijkse topstieren GS Deluxe en GS Der Beste. Fleckviehstieren die nu veel worden ingezet, zijn (onder andere) Halogen, GS Woward en GS Wuhudler.

De veestapel van de familie Klei voert nu naar schatting zo’n dertig procent fleckviehbloed. ‘En het aandeel fleckvieh zal de komende jaren zeker niet minder worden’, voorziet Bert-Jan. ‘Ik kies de laatste tijd weer wat vaker een fleckviehstier in plaats van een holsteinstier. De koeien met fleckviehbloed zijn sterke beesten. Ze geven me werkplezier.’