Een groot deel van de veestapel van de familie Klei heeft een witte kop, het resultaat van de jarenlange inzet van fleckviehstieren. ‘Mijn vader Evert is 25 jaar geleden al begonnen met kruisen’, vertelt Bert-Jan. ‘Hij was op zoek naar stieren die bespiering konden brengen op zijn holsteinkoeien. De import van vaarzen uit Duitsland en de inzet van stieren uit Amerika hadden hem een hoogproductieve veestapel opgeleverd. Maar de koeien waren ook wat schraal en kwetsbaar geworden’, herinnert hij zich.
Surfend over het wereldwijde web kwam vader Klei kwam uit bij het fleckviehras uit Oostenrijk. Dat was op dat moment in Nederland nog nauwelijks bekend. Maar de veehouder durfde het experiment wel aan.
Fleckviehstieren zijn sindsdien nooit weggeweest van het inseminatielijstje, ook niet toen Bert-Jan de verantwoordelijkheid voor de fokkerij van zijn vader overnam. ‘Wij zijn erg te spreken over de koeien met fleckviehbloed’, vertelt de veehouder. ‘Het zijn fijne koeien om mee te werken. Ze zijn niet te groot, hebben een spiertje extra en een stabiel, rustig karakter.’
De familie Klei fokte tot nu toe twee tientonners. Toeval of niet: beide koeien hadden een flink aandeel fleckviehbloed.

