Dieren uit Elite-embryo’s presteren beter

Delta Flossie, donor van 157 embryo’s
Delta Flossie, donor van 157 embryo’s

Fokprogramma-embryo’s vinden hun weg naar melkveebedrijven, waar de hieruit geboren kalveren veelal in productie komen. Maar hoe presteren deze dieren ten opzichte van hun bedrijfsgenoten uit een natuurlijke dracht? Lineke Schakel, student aan Hogeschool Van Hall Larenstein in Leeuwarden, zocht het uit en licht haar bevindingen toe.

De verwachtingen van nakomelingen uit het fokprogramma zijn hoog. Deze dieren zijn afkomstig van veelal jonge donoren die worden gecombineerd met genetisch toonaangevende stieren. De daaruit gewonnen embryo’s worden ingezet op Elitebedrijven, voorheen satellietbedrijven. Van alle nakomelingen uit embryo’s wordt via merkeronderzoek bepaald of zij op het bedrijf blijven of als donor voor het fokprogramma verhuizen naar het Dairy Breeding Center in Wirdum. Al deze dieren zijn meegenomen in het onderzoek.

Voor haar onderzoek analyseerde Lineke gegevens uit een periode van tien jaar. In totaal ging het om 5.696 dieren uit embryo’s en 134.322 bedrijfsgenoten, verspreid over 417 bedrijven. De dieren die geboren zijn uit fokprogramma-embryo’s worden hierna aangeduid als Delta-dieren.

Lineke vergeleek zowel de genetische aanleg als de feitelijke prestaties op het gebied van productie, gezondheid en exterieur. De dieren werden gevolgd gedurende maximaal vijf lactaties, met een minimum van drie lactaties. Tenzij anders vermeld zijn de genoemde verschillen significant (p < 0,001).

‘Qua erfelijke aanleg zijn de embryodieren op alle kenmerken significant beter. Dat zien we ook terug in nagenoeg alle daadwerkelijke prestaties’, vertelt Lineke.

Delta-dieren produceren 631 liter meer per lactatie

De productieverschillen zijn duidelijk zichtbaar. Delta-dieren produceren over de eerste vijf lactaties gemiddeld 631 liter melk meer per lactatie dan hun bedrijfsgenoten. Dat resulteert gemiddeld in 35 kg extra vet en 31 kg extra eiwit per lactatie.

Lineke plaatst hierbij wel een kanttekening: veel bedrijven implanteren al jarenlang embryo’s. Daardoor tellen nakomelingen van eerdere embryodieren vaak mee in de referentiegroep van dieren uit natuurlijke dracht, wat de verschillen mogelijk enigszins dempt.

gemiddelde 305 dagen melkproductie

Aanmerkelijk gezondere Delta-dieren

Sinds de eeuwwisseling is de fokkerijfocus deels verschoven van productie naar gezondheidseigenschappen. Lineke onderzocht deze kenmerken tot en met de derde lactatie.

’De Delta-dieren hebben minder last van subklinische mastitis. Dat zijn dieren met een verhoogd celgetal volgens de grenswaarden van het Uiergezondheidscentrum Nederland. Ten opzichte van hun bedrijfsgenoten komt subklinische mastitis bij Delta-dieren 27% minder vaak voor.’

Ook voor klauwgezondheid ziet Lineke duidelijke verschillen in alle drie lactaties. Delta-dieren hebben minder klauwaandoeningen. In de derde lactatie ligt het percentage klauwaandoeningen 28% lager dan bij de bedrijfsgenoten. Voor mortellaro bedraagt dit bijvoorbeeld 17,7% bij de Delta-dieren tegenover 27,5% bij de bedrijfsgenoten.

Genetisch scoren Delta-dieren beter op alle vruchtbaarheidskenmerken. In de praktijk komen die verschillen echter niet in alle lactaties even duidelijk naar voren. Daarvoor heeft Lineke geen directe verklaring. Ze licht toe: ’Tot en met de tweede lactatie zien we geen significant verschil. Bij derdekalfs koeien scoren de Delta-dieren wel significant beter. Zij hebben gemiddeld 2,0 inseminaties per dracht nodig, tegenover 2,2 bij de bedrijfsgenoten.

Ook subklinische ketose komt minder vaak voor bij Delta-dieren. Dat geldt voor alle drie lactaties. In de derde lactatie is het percentage gevallen van subklinische ketose binnen de Delta-groep zelfs bijna gehalveerd ten opzichte van de eigen aanfok.

Delta-dieren scoren hoger voor exterieur

Ook op exterieurgebied scoren de Delta-dieren beter. Dat geld voor zowel de bovenbalk- als de onderbalk. ‘De embryodieren scoren op alle exterieurkenmerken beter dan de bedrijfsgenoten’, aldus Lineke. Binnen de bovenbalk is het verschil het grootst voor uier. Hier bedraagt het voordeel voor de Delta-dieren gemiddeld 1,3 punt.

KenmerkDelta-dierenGemiddelde Natuurlijke dracht
Frame82,281,5
Type82,381,3
Uier82,781,4
Benen81,380,9
Totaal exterieur82,181,3

Gemiddelde exterieurscore in de bovenbalk

Conclusie

De resultaten maken duidelijk dat de genetische voorsprong van dieren uit CRV-fokprogramma-embryo’s niet beperkt blijft tot de fokwaarden. Op het melkveebedrijf vertaalt deze voorsprong zich in hogere productie, een betere gezondheid en een beter exterieur. Daarmee leveren deze dieren aantoonbaar meerwaarde voor zowel de veehouder als de verdere genetische vooruitgang van de populatie.